PKN-Aardenburg
Meer dan een kerk...

Van Vluchtelingen tot Volkslied...                    Dominee Jacob Pattist (1876-1909) 

Jacob Nicolaas Pattist werd op 2 juli 1876 te Dreischor (Schouwen en Duiveland) geboren. Op 23 december 1909 trad hij in Den Haag in het huwelijk met Rebecca Anna Maria Thesingh. Pattist studeerde theologie en werd in 1911 kandidaat te Overijssel. Op 16 juli 1911 werd hij benoemd tot predikant van de Hervormde Gemeente te IJzendijke en vanaf 15 maart 1914 als predikant van de Hervormde Sint-Baafskerk te Aardenburg. Tijdens de  eerste wereldoorlog zochten vele Belgische vluchtelingen een toevlucht in Nederland. Tussen 1914 en 1918 vluchten circa een miljoen Belgen naar Nederland. Deze vluchtelingen bestonden voornamelijk uit burgers die vreesden voor het oorlogsgeweld en mogelijke wreedheden van de Duitsers. Maar ook vele militairen die van hun eenheid waren afgesneden of waren gedeserteerd.

                

Om deze vluchtelingenstroom in de regio Zeeuws-Vlaanderen in goede banen te leiden, werd Dominee Pattist door de Nederlandse regering aangetrokken. Op 18 december 1914 werd hij benoemd tot Gedelegeerde voor West-Zeeuws-Vlaanderen van den Regeerings-commissaris voor de Vluchtelingen in Noord-Brabant en Zeeland. Op 12 februari 1915 volgde een dergelijke benoeming voor Oost-Zeeuws-Vlaanderen. waarna zijn functie meestal werd aangeduid als Gedelegeerde voor de Vluchtelingen in Zeeuws-Vlaanderen en Walcheren. Het voorste deel van de Sint-Baafskerk van Aardenburg deed dienst als opvangplaats voor de vluchtelingen. Enkele vluchtelingen die een onderdak hadden gevonden in de Sint-Baafskerk waren schijnbaar creatief aangelegd, zij maakten tekeningen en schetsen van het tot vluchtelingen-opvangcentrum omgevormde kerkgebouw. Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 oktober 1920 werd Pattist van deze verschillende functies ontheven. Na het beëindigen van de 1e wereldoorlog ontving Dominee Pattist een schilderij uithanden van de Belgische consul, als dank voor zijn inspanningen voor de opvang van de Belgische vluchtelingen gedurende de oorlog. 


Naast zijn werk als predikant te Aardenburg, werd Pattist op 16 juli 1916 enoemd tot schoolopziener in het arrondissement Middelburg. Blijkbaar beviel dit beroep hem meer dan het predikantschap, want met ingang van 1 januari 1921 kreeg hij een voltijds betrekking als inspecteur van de Inspectie Middelburg van de  Als gevolg daarvan werd hem door de Nederlandse Hervormde Kerk eervol ontslag verleend met de bevoegdheid van emeritus. Op 1 augustus 1924 verruilde hij Middelburg voor Den Haag, waar hij inspecteur van de Inspectie 's-Gravenhage werd. In 1941 werd hij in die functie gepensioneerd. 

Annexatie perikelen

Na de Eerste Wereldoorlog stak het idee van een Groot België onder de radicale nationalisten – een grote groep van staatsnationalisten- de kop op. Hoewel de vorm van hun eerdere eisen iets was gewijzigd, kwamen ze goeddeels overeen met de eisen van het oorspronkelijke plan uit 1830 om een deel van Nederland te annexeren. Nederland zou fout zijn geweest in die oorlog. Gemakshalve vergaten ze de circa één miljoen gevluchte Belgen. Nederland was, volgens hen, officieel neutraal gebleven, maar feitelijk pro-Duits zijn geweest. Ons land zou economisch hebben geprofiteerd van de oorlog en de Duitsers hebben bevoordeeld. Als herstelbetaling eisten zij een groot deel van Limburg en heel Zeeuws-Vlaanderen. Deze gebieden zouden tijdens de vredesbesprekingen in Versailles aan België moeten worden toegewezen.


Tijdens deze periode werd Pattist werd door koningin Wilhelmina verzocht het verzet tegen de annexatieplannen te organiseren. Samen met een aantal Zeeuws-Vlaamse notabelen richtte hij het Anti-Annexatie-Comité op. Dit comité bleef tot 1939 bestaan. Pattist bevorderde de regionale folklore. Hij organiseerde Oranjefeesten en bevorderde in de meest algemene zin de vaderlandslievendheid in de regio en de aanhankelijkheid aan het Huis van Oranje. Met name dat laatste werd door het Hof actief ondersteund. Zowel voor- als nadien werd Zeeuws-Vlaanderen nooit vaker bezocht door de koninklijke familie dan in die periode. Ook werd er onderleiding van Pattist een filmdocumentaire gemaakt om de buitenlandse aanspraken te pareren. De vertoningen van deze film in het buitenland moesten worden georganiseerd door de verschillende ambassades. 

Het Zeeuws-Vlaamse Volkslied

Pattist is zeker belangrijk geweest voor zijn werk om Zeeuws-Vlaanderen bij Nederland te houden. Toch zal hij voornamelijk worden herinnerd als de man die verantwoordelijk was voor het Zeeuws-Vlaamse volkslied, Van d’Ee tot Hontenisse. Pattist schreef de tekst samen met J. Vreeken en de muziek werd gecomponeerd door A. Lijssen. Niet alleen in die jaren leerden de kinderen het op school al zingen. Het is tot heden een evergreen gebleken die nog steeds, bij tal van feestelijkheden op Zeeuws-Vlaanderen wordt gezongen. Jacob Pattist overleed in 1946 op zeventigjarige leeftijd te den Haag.

.

Waar eens ’t gekrijs der meeuwen 
Verstierf aan ’t eenzaam strand, 
Daar schiepen zich de Zeeuwen 
Uit schor en slik hun land. 
En kwam de stormwind woeden, 
Hen dreigend met verderf, 
Dan keerden zij de vl
oeden 
Van pas gewonnen er
f. 

Van d’Ee tot Hontenisse 
Van Hulst tot aan Cadzand 
Dat is ons eigen landje, 
Maar deel van Nederland. 

Waar eens de zeeën braken 
Met donderend gedruis, 
Daar g
limmen nu de daken 
En lispelt bladgesuis. 

Daar trekt de ploeg de voren 
Daar klinkt de zicht in ’t graan, 
Daar ziet men ’t Zeeuwse koren 
Het allerschoonste staan. 

Van d’Ee tot Hontenisse 
Van Hulst tot aan Cadzand 
Dat is ons eigen landje, 
Maar deel van Nederland. 

Daar werd de oude zede 
Getrouwelijk bewaard, 
En 't huis in dorp en steden 
Bleef zuiver Zeeuws van aard. 
Daar leeft men zo eendrachtig 
En vrij van droef krakeel, 
Daar dank men God almachtig 
Voor 't toegenomen deel. 

Van d’Ee tot Hontenisse 
Van Hulst tot aan Cadzand 
Dat blijft ons eigen landje, 
Maar deel van Nederland. 

Ds. J.N. Pattist - J. Vreeken / A. Lijsen